oproepen oproep plaatsen  
Partners in de misdaad TILBURG-AMSTERDAM DATUM 2-5-2007
Gevangen in het vale licht van een stoptreincoupé tussen Nijmegen en Den Bosch zaten de gelaarsde kat en de minzame jongen te midden van onbelangrijke medereizigers. Het was de ochtend van 26 januari in het jaar ’acht. De minzame jongen had de voorgaande nacht prima geslapen. De gelaarsde kat daarentegen was de hele voorgaande nacht wakker gebleven. Niettemin zag ze er patent uit. Gehavend, maar patent. Allerlei spullen had ze niet bij zich. Dat zag een kind. De minzame jongen zag het ook, in een oogopslag. Geen jas en geen trui had ze bij zich, terwijl het kwik in thermometers buiten gesaboteerd zouden zijn als ze meer dan tien graden aangaven. In de beleving van de minzame jongen was de gelaarsde kat slechts in het bezit van een minifles wijn, aansteker, pak sigaretten van het topmerk West, contanten, laarzen, spijkerbroek, armbanden, haarspelden, sokken en ondergoed. En dat ze sokken en ondergoed droeg, was een gok, moest hij bekennen. En toen. Toen kwam, tussen Wijchen en Ravenstein, de conducteur. Niet in staat hem een kaartje te tonen, zei de kat: “Ik heb wel een kaartje gekocht. Kan het alleen niet vinden. Serieus waar.” Waarop de conducteur bars zei dat er in dat geval op het station van Ravenstein een nieuw vervoersbewijs gekocht diende te worden. De jongen hoorde het gesprek aan en dacht: zij, met haar stem, mag me altijd bellen voor tedere seks. Al kaartenknippend vertrok de conducteur even later uit zijn gezichtsveld en eenmaal buiten gehoorsafstand nam de jongen zijn kansen waar. Hij gaf zijn kaartje aan de kat, onder het uitspreken van de bemoedigende woorden: “Hier, pak mijn kaartje zolang. Praat je eruit.” Vlak na de stop in Ravenstein kwam de conducteur terug. Hij was de kat niet vergeten. Hoe kon hij haar vergeten? Ze was gelaarsd, schaars gekleed en zag er, zoals gezegd, patent uit voor een nachtbraker. Met een schram op haar rechterelleboog en een minifles wijn waar ze elk moment de bodem vanaf kon slaan om er aldus een wapen van te maken, leek ze geen kat om zonder handschoenen op te pakken, zo dacht de jongen om daarna iets heel anders te denken, en wel het volgende. Zij kan vroeger onmogelijk een majorette zijn geweest die, marcherend op de maat van muziek, met regelmaat een blikkerende baton in de richting van de zon gooide, lijkt mij, maar ook dat is een gok. De conducteur was de kat niet vergeten. Vervaarlijk torende hij in het gangpad boven haar uit, omdat hij stond en zij zat. Ze gaf hem haar gelegenheidskaartje en zei: “Het zat in een laars. Ongelooflijk. Stom. Tijdelijk vergeten.” De conducteur wilde haar graag geloven, knipte op routineuze wijze het kaartje en vervolgde zijn weg, ongetwijfeld met een welverdiende kop troost als bestemming. Op zijn verzoek gaf de kat de jongen zijn kaartje terug. Een woordenwisseling was het gevolg. Een woordenwisseling waarin de kat onder meer zei niet een-twee-drie te weten hoe hem te bedanken. Toen ze aanstalten maakte uit te stappen in Oss wist ze het nog steeds niet. Hij wist het wel: haar telefoonnummer had hij graag gehad. Hij vroeg er niet naar, omdat ze zopas verteld had haar zaktelefoon verloren te zijn. Een kus was ook goed geweest, al waren er andere reizigers bij. Een koortsachtige liefdesaffaire als dank zou hij okay gevonden hebben. Meer dan okay. Eerst partners in de misdaad, dan geliefden: zo hoort het, als ze het hem vroeg. Haar echte naam was beter geweest dan niks, want de gelaarsde kat vond hij, voor haar, geen geschikte naam.

  bekijk profiel stuur bericht ga terug
shop around